Uitdrijvingsfase
Zodra je volledige ontsluiting hebt, mag je beginnen met persen. De persweeën - die anders aanvoelen dan de ontsluitingsweeën - zijn bijzonder sterk, want ze moeten het hoofd van je kind draaien. Het kan even duren voordat die draaibeweging is gelukt. Je merkt bij persdrang, dat je het niet meer tegen kunt houden en dat ook niet wilt. Je krijgt steun van de verloskundige, maar het ‘commando’ om je baby nu naar buiten te duwen komt uit je eigen lichaam. Hoe meer je toegeeft aan de druk, des te sneller kan het perineum oprekken zonder in te scheuren.
Het kan zijn dat je verloskundige voorstelt om van houding te veranderen: rechtop zitten, liggen op je zij, aan een handdoek hangen. Dit kan namelijk allemaal helpen om te zorgen dat het hoofdje op de juiste manier in het bekken terechtkomt om de weg te banen.
De verloskundige houdt in de gaten of er al een stukje van het hoofdje te zien is. In het begin glijdt dit nog telkens terug, maar vanaf een bepaald moment blijft het zichtbaar. Je zegt dan dat het hoofdje 'staat'. Je kunt dit meestal zelf voelen: een branderig, stekend gevoel.
Op dit moment zal de verloskundige je vragen om niet meer mee te persen, zodat het weefsel rond je vagina rustig kan oprekken om het hoofdje door te laten. Als het hoofdje echt niet naar buiten komt, krijg je een knipje waarmee de opening wat groter wordt gemaakt. Het is goed mogelijk dat je hier niets van voelt, omdat de huid rond je vagina volledig gespannen is.
Bij één van de volgende weeën volgt de rest van het hoofdje en vanaf dat moment gaat het snel. De verloskundige vangt je baby op en even daarna wordt de navelstreng afgeklemd en doorgeknipt (door je partner). De verloskundige of arts kijkt meteen of alles in orde is met je baby. Dat gebeurt onder andere met de Apgar-score.
|